Samenwerking met grondruil tussen landbouwbedrijven in Noord-Holland

Door: Wim van Dijk · 26 maart 2018
Categorie: Geen categorie

Samenwerking met grondruil tussen landbouwbedrijven is in Noord-Holland een veel voorkomende situatie. Het verbetert het bedrijfsresultaat van de samenwerkingspartners en ook landbouwkundig biedt het voordelen (o.a. verbeterde organische stofvoorziening). Het vereist wel een juist management om negatieve milieukundige effecten (o.a. uitspoeling van stikstof) te voorkomen en een goede bodemgezondheid te behouden.

In het project Vruchtbare Kringloop Noord-Holland wordt een aantal samenwerkingsverbanden gevolgd met daarin melkveehouders, akkerbouwers, groentetelers en bloembollentelers. Naast het volgen en optimaliseren van de samenwerkingsverbanden is ook gekeken naar de landbouwkundige effecten en de milieu- en beleidseffecten. In economische zin is de samenwerking gunstig voor de bedrijven. De akkerbouwer kan bijvoorbeeld zijn aandeel pootgoed verhogen en de melkveehouder kan vaak meer koeien houden. Daarnaast zien we een toenemend gezamenlijk grondgebruik tussen akkerbouw, bloembollen, groenten en melkveehouderij. Dat zorgt voor meer kortdurend grasland in rotatie met bouwlandgewassen. Verder zien we dat op akkerbouwbedrijven het graan vaak vervangen wordt door gras.

Landbouwkundige effecten

Organische stofvoorziening

Het mee roteren van gras op akker- en tuinbouwbedrijven verbetert de organische stofvoorziening doordat gras veel organische stof levert en er ook veel mest op komt. Op het melkveebedrijf is na de samenwerking de aanvoer van organische stof vaak lager doordat er meer bouwland is en het aandeel tijdelijke grasland is toegenomen. Er vindt als het ware een herverdeling plaats van organische stof van de melkveehouderij (gras en mest) naar de akker- en tuinbouw.

Bodemstructuur

Naast organische stof is de bodemstructuur een belangrijk aspect van bodemkwaliteit. Vaak wordt bij grondruil op het bedrijf van de akkerbouwer graan vervangen door gras van de melkveehouder. Een aandachtspunt hierbij is dat de berijding op grasland veel intensiever (5-6 keer per jaar bemesten en oogsten) is dan op graan.

Stikstof

Het nieuw ingezaaide grasland heeft een hogere stikstofbehoefte dan blijvend grasland. Na het scheuren is er minder nodig door de mineralisatie van de ondergewerkte zode. Binnen een bedrijf is dat geen probleem doordat de bespaarde stikstof bij het volggewas na het scheuren kan worden gebruikt op het nieuw ingezaaide gras na de bouwlandperiode. Bij een samenwerking gaat het vaak om twee bedrijven die werken met afzonderlijke mestnummers, waardoor het overhevelen van stikstof wettelijk niet meer is toegestaan.

Quarantaine organismen

BloembollenveldVoor de regionale economie zijn pootgoed en bloembolgewassen belangrijke teelten. Omdat een groot deel van de productie wordt geëxporteerd moet het vrij zijn van quarantaine organismen (Q-organismen, o.a. aardappelmoeheid, Chitwoodi-aaltjes). De intensieve grondruil die plaatsvindt in Noord-Holland verhoogt het risico van besmetting via grond, producten en machines. Ook de rotatie met gras en snijmaïs, die waardplant zijn voor diverse aaltjessoorten, draagt hieraan bij. Soms wordt in plaats van gras gras-klaver ingezaaid, dat een sterkere waardplant is dan gras alleen. Dit verhoogt de noodzaak tot voldoende controle door de ondernemer om ook op de langere termijn Q-vrije producten te kunnen blijven leveren.

Milieueffecten

Gewasbeschermingsmiddelen

Als bij samenwerking met grondruil het bouwplan van akkerbouwers, bloemboltelers, groentetelers en melkveehouders meer wordt geïntegreerd, kan dat een aantal gevolgen hebben voor de inzet van gewasbeschermingsmiddelen. Als de akker- en tuinbouwgewassen hierdoor in een ruimere rotatie worden geteeld, kan dit gunstig zijn voor de beheersing van bodemgebonden ziekten en plagen waardoor ook de inzet van gewasbeschermingsmiddelen mogelijk verminderd kan worden.

Glyfosaat

In geval van samenwerking tussen akker- en tuinbouwbedrijven enerzijds en melkveehouderijbedrijven anderzijds zien we dat in Noord-Holland meestal gras gaat mee roteren met akker- en tuinbouwgewassen. Dit leidt tot een hoger aandeel kortdurend gras. Dit is ook te zien in de CBS-gegevens waar het aandeel blijvend grasland daalt. Doordat er hierdoor vaker grasland wordt gescheurd zal het gebruik van glyfosaat toenemen. Glyfosaat wordt meestal standaard ingezet bij scheuren van grasland, mede ook om lastige onkruidgrassen zoals kweek te doden. Mogelijk dat bij kortere grasperiodes het laatste minder speelt waardoor de inzet van glyfosaat verlaagd kan worden.

Stikstofuitspoeling

Aardappelveld VredepeelNa het scheuren van gras komt veel stikstof vrij. Het risico van stikstofuitspoeling kan beperkt worden door de stikstofbemesting van het volggewas aan te passen en, indien mogelijk, een vanggewas (onbemeste groenbemester) na de oogst van het volggewas te zaaien. Omdat het volggewas in Noord-Holland in veel situaties pootaardappelen en bloembollen zijn, die beide relatief vroeg worden geoogst, biedt dit mogelijk voor het vastleggen van stikstof. Ook de relatief korte duur van de grasperiode (2-3 jaar) in wisselbouwsituaties zorgt ervoor dat de opbouw van de stikstof in de zode beperkt blijft waardoor een volggewas beter in staat is de vrijkomende stikstof op te nemen.

Koolstofopslag

De vervanging van blijvend door tijdelijk grasland zal mogelijk leiden tot een verlaagde koolstofopslag in de bodem, omdat de koolstofopslag onder korter durend grasland lager is dan onder langer durend grasland. Anderzijds is bij bouwland in wisselbouw de hoeveelheid koolstof in de bodem hoger in vergelijking met blijvend bouwland. Hoe dit netto uitpakt is onderwerp van onderzoek en zal ook afhangen hoe bij de samenwerking de wisselbouw wordt ingericht. Vanuit oogpunt van klimaatverandering en vermindering van uitstoot van broeikasgassen is een verlaagde koolstofopslag ongewenst.

Beleidseffecten

Grasland

Gras maaien met tractorVanuit GLB-beleid is een grens gesteld aan het minimale aandeel blijvend grasland in het totale landbouwareaal. Dit mag op landelijk niveau met niet meer dan 5% dalen t.o.v. 2012. Deze eis zal beperkend kunnen zijn voor een verdergaande integratie van bouwplannen van akker- en tuinbouw met melkveebedrijven. In Noord-Holland kan dit nog sterker spelen, omdat akker- en tuinbouwbedrijven geen snijmaïs willen, maar liever kortdurend grasland.

Beweiding

Het mee roteren van grasland met akker- en tuinbouwgewassen leidt er doorgaans toe dat het grasland wat verder van het melkveebedrijf komt af te liggen en zich daardoor minder leent voor beweiding. Afhankelijk van het graslandareaal dat nog dicht bij het bedrijf ligt, kan dit negatieve gevolgen hebben voor de mate van beweiding. Maatschappelijk gezien is dit minder gewenst en ook in het beleid wordt gestuurd op meer weidegang van het vee o.a. via het Convenant Weidegang (een motie voor wettelijk verplichte weidegang heeft het niet gehaald in de Tweede Kamer).

Fosfaat

De melkveehouderij is de grootste grondgebruiker in Noord-Holland. De ontwikkeling in de melkveehouderij van de laatste jaren is sterk bepalend geweest voor de hele regio, echter, deze is onzeker o.a. door het Europese fosfaatplafond en de introductie van fosfaatrechten in 2018. Dit kan grote gevolgen hebben voor alle sectoren o.a. wat betreft beschikbaarheid van grond en samenwerkingsconstructies.

Tenslotte

Samenwerking met grondruil tussen landbouwbedrijven in Noord-Holland kan zowel positieve als negatieve effecten hebben. Door het optimaliseren van de samenwerking kunnen zowel economische, landbouwkundige als milieuvoordelen behaald worden.

Vragen en suggesties

Heb je ervaring met het samenwerken met grondruil met een akkerbouwer of veehouder en kun je je wel of niet vinden in onze bevindingen? Laat dan vooral je ervaringen hieronder achter. We horen ze graag. Of heb je nog vragen? Stel ze hieronder, we proberen ze graag te beantwoorden.

Meer informatie

Het gehele rapport is vanaf maart in de online bibliotheek van Wageningen University & Research te vinden.

Dit artikel is 417 keer gelezen.
Wim van Dijk

Wim van Dijk

Onderzoeker Biobased Economy

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *