Nomadisch bestaan/Nomad life

Door: Marjolijn Boterenbrood · 2 maart 2020
Categorie: deep mapping, nomad, verhalen, zijderoute

Kaart 2. – nomadisch bestaan                    for english see below

In 921 schreef Ahmed Ibn Fadlan al over het nomadenbestaan. De nomaden werden gevreesd, wat ze rijk maakte. Zij ‘ruilden’ luxe artikelen, rijst, wijn en zijde voor vrede. Daarnaast handelden ze in walnoten, hazelnoten, zwaarden, was, honing, valken, (bont)huiden en pelzen van eekhoorn, hermelijn, vos, marter, bever, haas, nerts en sabeldier. Hun paarden waren alom bekend en beroemd. Die vormden een cruciaal onderdeel van hun economie. Ze werden gefokt en verkocht. De Chinese keizers hadden veel over voor deze ‘hemelse paarden’.

Balasagun (niet ver van de tegenwoordige hoofdstad Bishkek) was in die tijd een centrum van rijkdom en wijsheid, waar wiskunde, filosofie en geografie werden beoefend en de kunst van het maken van papier werd geïntroduceerd door gevangen genomen Chinezen.

Sinds de Sovjettijd zijn de nomaden in Kirgistan semi-nomaden. Je trekt niet meer van graasgebied naar graasgebied maar je gaat naar vaste weidegebieden. Het nomadenbestaan wordt ervaren als vrijheid. Het land is de bron voor het voedsel voor het vee en de mensen.

De goed verplaatsbare yurts zitten ingenieus in elkaar. Ze hebben een licht opvouwbaar wilgenhouten frame zonder schroeven. Een systeem van geweven banden zorgt voor de stijfheid. Ze zijn goed te vervoeren op de rug van een kameel of een paard (vroeger) of op (vracht)auto’s (tegenwoordig) en eenvoudig in en uit elkaar te zetten.

Yurts zijn ook in gebruik als wegrestaurant, soepkeuken, hotel, benzinepomp, autobandenreparatieplek, theehuis, marktstal en partytent.

Clan en familie zijn belangrijk in het leven van de nomaden. Je trouwt niet binnen de clan. Het kidnappen van vrouwen gebeurt nog steeds. Vrouwen konden vroeger al een bijzondere positie innemen als dichter, zanger, worstelaar of krijger. De grootmoeder (babushka) is heel belangrijk. Zij zorgt voor de opvoeding. Wijsheden en verhalen komen bij haar vandaan.

Meerim vertelt over haar babushka, met wie ze de zomers doorbracht. Meerim ziet haar nog voor zich: ze maakte vuur, offerde aan de goden, naaide kleding en bontmutsen, waste wol, melkte de koeien en maakte room en kaas van de melk. Samen gingen ze naar heilige plekken. Haar oma was altijd bezig met het rapen en plukken van bessen en kruiden, voor de thee. Het witte sap uit paardenbloemen smeerde ze op je huid. Ze leerde haar kleindochter dat je niet teveel van de natuur mag nemen. Dat zou de harmonie verstoren. Als ze ziek was smeerde ze Meerim in met schapenvet en als ze verkouden was met honing, ‘s avonds voor het slapen gaan, lekker plakkerig. Haar haren waste ze met yoghurt. Daarna gebruikte ze het slijmerige aftreksel van stokroos om het heel zacht en glad te krijgen.

Nurlan rijdt paard zo lang hij zich kan herinneren. Hij hoedt schapen, koeien en paarden. Nurlan deed mee aan de zogenaamde horsegames, twee teams proberen een geit van elkaar af te pakken. Het team dat de geit uiteindelijk wint, eet de geit op. “Je speelt ’t vol vuur, Soms win je, soms verlies je.” Zijn andere activiteiten zijn vissen en jagen, met vrienden. Ze jagen op marmotten voor hun vacht, niet voor het vlees.

Elvira ervaart de tijd in de jailoo, de zomerweide, als vrijheid, al is het hard werken. In deze periode van het jaar verdient de familie het grootste deel van hun jaarlijkse inkomen. Er is goed gras hoog in de bergen. De schapen weten precies waar ze het moeten vinden. Aan het eind van de zomer zijn ze vet en kunnen ze worden verkocht. Elvira’s zoon is geboren in de yurt waarin de familie ’s zomers woont. Zijn naam is Songkulbec naar de rivier de Songkul die daar stroomt (‘bec’ betekent sterke man).

Mursabec vist in het meer. In de Sovjettijd werkten zijn ouders in een kolgoz, het vee was niet hun eigendom. Ze konden zelfs niet een beetje van de wol voor zichzelf houden, alles ging naar Rusland. Nu is dat anders, Mursabec heeft zijn eigen vee. Hij is beducht voor paardendieven. Twaalf paarden zijn er van hem gestolen, hij heeft ze nooit teruggevonden.

 

Geldebec is herder. Dat is een eenzaam beroep. Hij slaapt buiten bij zijn schapen. Om warm te blijven heeft hij wel zes lagen kleren aan. In oktober begint het gevaarlijker te worden want dan komen de wolven uit de bergen. Marmotten en hamsters, het voedsel van de wolven, gaan zich dan ingraven voor hun winterslaap. Geldebec vertelt dat hij zijn schapen beschermt door te schreeuwen, dat schrikt de wolven af. “Ik ben wel bang geweest’, zegt hij. “Er kwamen een keer tien wolven tegelijk, ze vormden een cirkel rond een paar schapen. Ik kon ze niets verjagen.” Niet alle schapen zijn van hem, Geldebec hoedt ook schapen van anderen. Hij noemt een van de namen van de bergweiden, “Tor”, wat diepe, verre bestemming betekent en “Chartash”,  bonte steen, berg met arme vegetatie en veel kleuren stenen en klei.

Umud vertelt dat de dwang voor vrouwen om te trouwen groot is. Kidnappen, het schaken van een vrouw om met haar te trouwen, komt nog steeds voor. Zij is niet gekidnapt maar getrouwd omdat hun vaders vrienden waren. Haar moeder zei dat dit beter was dan ontvoering want dan weet je niet wat er gaat gebeuren. Kinderen zijn van levensbelang, ze zijn de toekomst en zorgen voor de continuïteit van alles. De mannen beschouwen een kind als ‘een been/bot van hun eigen been/bot’. Een vrouw is maar een vrouw. Umud heeft honger gekend, vlak na haar huwelijk, “zonder vee, met een kind, alleen brood, geen luiers, geen zeep en geen wol”.

Burul is slager. Als de zomer in de jailoo eindigt komt haar man met het vee terug uit de bergen. Dan slachten ze een deel van het vee en brengen het vlees naar de hoofdstad. Alles van het dier wordt gebruikt tot en met kop, ogen en oren. Zij vindt zichzelf rijk en pocht een beetje over haar rijkdom die ze tentoon kan spreiden bij de aanstaande bruiloft van haar zoon, wat een groots festijn wordt.

zie ook:  1 grond/ground  3 vilt/felt  4 mest/manure  5 wit/white  6 verhalen/stories  7 biodiversiteit/biodiversity  8 gevaar/danger  9 netwerk/network  onderzoek/research  art meets science

Map 2. – Nomads

As far back as in the year 921 BC Ahmed Ibn Fadlan wrote about the nomadic way of life. The nomads were feared, which made them rich. They ‘exchanged’ luxury goods, rice, wine and silk for peace. They also traded in walnuts, hazelnuts, swords, wax, honey, falcons, fleeces/skins and furs from the squirrel, stoat, fox, marten, beaver, hare, mink and sable. Their horses were widely known and renowned. Horses formed an essential part of the nomads’ economy. They were bred and traded. The Chinese emperors were willing to pay well for these ‘heavenly horses’.

Balasaghun (not far from the current capital city Bishkek) was a centre of wealth and wisdom in those times, a place where mathematics, philosophy and geography were practised and the art of paper-making was introduced by Chinese who had been taken prisoner.

Since the Soviet period the nomads in Kyrgyzstan have become semi-nomads. They no longer migrate from grassland to grassland but go to regular pasturelands. The nomadic way of life is seen as freedom. The land is the source of the food for the cattle and the people. The easily transportable yurts are constructed in an ingenious way. The folding lightweight wooden frame is made from willow without the use of screws. A system of woven bands provides the stiffness required. The yurts are easy to transport on the back of a camel or horse (in the past) or on a truck or car (nowadays) and are easy to set up and dismantle. Yurts are also used as roadside restaurant, soup kitchen, hotel, petrol station, tyre repair shop, tea house, market stall and party tent. The clan and family are important in the life of the nomad. People don’t marry within their clan. It still happens to this day that women are kidnapped. In the past women were able to fulfil a special role as poet, singer, wrestler or warrior. The grandmother (babushka) is very important. She is in charge of the upbringing. Wisdom and stories originate from her.

Meerim tells us about her babushka, with whom she spent her summers. Meerim can still see her in her mind: she made the fire, made sacrifices to the gods, sewed clothing and fur hats, washed wool, milked the cows and made cream and cheese from the milk. They visited holy places together. Her grandmother was always busy gathering and picking berries and herbs, for tea. She rubbed the white juice from dandelions on your skin. She taught her granddaughter that you should not take too much from nature. That would disturb the harmony. If Meerim was ill she rubbed sheep grease into her skin and if she had a cold she used honey, in the evening before going to sleep, nice and sticky. She washed her hair with yoghurt. Then she used the slimy extract from hollyhocks to get her hair really soft and smooth.

Nurlan has ridden horses for as long as he can remember. He keeps sheep, cows and horses. Nurlan took part in the ‘horse games’: two teams try to make sure a goat doesn’t end up in the hands of the other team. The team that eventually wins the goat, then eats the goat. “You play this with burning passion, Sometimes you win, sometimes you lose.” His other activities are hunting and fishing, with friends. They hunt marmots for the skins, not for the meat.

Elvira perceives her time spent in the jailoo, the summer pastures, as freedom, even though it means working hard. In this period of the year the family earns the majority of their annual income. There is good grass high up in the mountains. The sheep know exactly where they can find this. At the end of the summer they are fat and ready to be sold. Elvira’s son was born in the yurt where the family lives during the summer. He is called Songkulbec after the lake Songkul that flows there (‘bec’ means strong man).

Mursabec goes fishing in the lake. In the Soviet period his parents used to work in a kolgoz, the animals were not their own property. They were not allowed to keep even a little of the wool for themselves, everything was sent to Russia. Nowadays things are different, Mursabec has his own animals. He is afraid of horse thieves. Twelve horses have been stolen from him, he never found them again. 

Geldebec is a shepherd. That’s a lonely job. He sleeps outside together with his sheep. In order to stay warm he wears as many as six layers of clothing. Not all the sheep are his own, Geldebec also tends sheep belonging to other people. He mentions one of the names of the mountain pastures, “Tor”, that means deep, distant destination and “Chartash”, coloured stone, mountain with sparse vegetation and many different colours of stones and clay.

Umud tells us that there is a lot of pressure on women to marry. Kidnapping, the abduction of a woman in order to marry her, still takes place. She wasn’t kidnapped but was married because their fathers were friends. Her mother said that this was better than kidnapping because then you would have no idea what would happen to you. Children are of vital importance, they are the future and ensure the continuity of everything. The men regard a child as ‘a bone of their own bone’. A woman is merely a woman. Umud has known hunger, shortly after her marriage, “without any animals, with a child, only bread, no nappies, no soap and no wool”.

Burul is a butcher. When the summer in the jailoo comes to an end her husband returns with the animals from the mountains, they slaughter part of the flock and take the meat to the city. Every part of the animal is used including the head, eyes and ears. She considers themselves to be rich and boasts a little about her wealth, that she will be able to display at her son’s wedding, soon to take place, with magnificent festivities.

terug:  https://weblog.wur.nl/layersofperception/onderzoek-in-kirgizie/

Marjolijn Boterenbrood

Marjolijn Boterenbrood

Beeldend kunstenaar

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *